vrijdag 26 mei 2017
 
Gladde slang * Leefwijze
Leefwijze

Na de winterrust, die duurt van oktober tot april, blijven gladde slangen een korte periode in de buurt van de overwinteringsplek (ook wel hibernaculum genoemd) en zonnen dan veel. Het zonnen gebeurt dikwijls verscholen tussen of half onder de vegetatie. De dieren regelen hun lichaamstemperatuur ook door het opnemen van indirecte warmte, door onder stenen, hout of dood organisch materiaal (zoals bladafval, maaisel en compost) te kruipen. Waarschijnlijk wordt bij de overwinteringsplek ook al gepaard. In onze streken nemen de vrouwtjes iedere twee jaar deel aan de voortplanting. Na de paring trekken de slangen van de overwinteringsplekken naar de zomerverblijven. De afstand tussen deze twee onderdelen van het leefgebied kan wel meer dan 400 meter bedragen.

Juveniele gladde slang, opgerold niet groter dan een 2 euro muntstuk! - Foto Jelger HerderDe vrouwtjes die dat jaar niet deelnemen aan de voortplanting, en ook de mannetjes, zwerven de hele activiteitsperiode door hun leefgebied om te jagen, te zonnen en te schuilen. Drachtige vrouwtjes zijn veel honkvaster en verplaatsen zich tot aan het afzetten van de jongen nauwelijks. Gladde slangen kunnen soms met meerdere bij elkaar aangetroffen worden. Dat zijn meestal drachtige dames. Deze dulden in hun directe omgeving wel het gezelschap van niet-drachtige dames, maar niet van mannetjes. Na een draagtijd van circa vier maanden worden de jonge slangetjes geboren, gemiddeld zeven per worp. Gladde slangen zijn eierlevendbarend, dat wil zeggen dat de jongen bij de geboorte in een vlies zitten, waar ze vrijwel direct uitkomen. De kleine slangetjes zijn donkergrijs gekleurd, ongeveer 14 centimeter lang en dunner dan een potlood. Heel kwetsbaar, maar wel direct zelfstandig.

Tussen eind juli en begin september, direct na het afzetten van de jongen, verlaten de moederdieren het zomerverblijf. Tot oktober zwerven ze net als de andere vrouwtjes en de mannetjes door het terrein. Ze hebben deze periode hard nodig om prooien te bemachtigen en aan te sterken na de bevalling, waarbij ze wel de helft van hun lichaamsgewicht zijn afgevallen. Gladde slangen eten vooral hagedissen en jonge muizen die ze uit het nest halen. De voedselkeuze wordt vooral bepaald door wat in het leefgebied het meest voorkomt. Soms eten ze ook jongen van op de grond broedende vogels. Om prooien op te sporen zoeken ze al tongelend holletjes, spleten en de vegetatie af of er zich misschien muizen of hagedissen in bevinden. Zie het filmpje hieronder om te zien hoe een gladde slang holletjes afzoekt naar prooidieren.

Eind september, begin oktober trekken gladde slangen weer terug naar hun overwinteringsplekken.

De gladde slang is geen snelle slang zoals de ringslang en de soort heeft geen giftanden om zich mee te verdedigen zoals de adder. Het is voor de gladde slangen daarom veiliger om te zorgen dat ze niet snel opgemerkt wordt. Ze verplaatsten zich dan ook bij voorkeur diep onderin de vegetatie. Door de kleur en tekening zijn ze in het schaduwspel tussen grassen en struiken bijna niet te zien. Ze vertrouwen op hun schutkleuren en blijven bij nadering lang doodstil liggen. Pas als de situatie te bedreigend wordt, glijdt de gladde slang vlot maar stilletjes weg en verdwijnt diep in de vegetatie.

Gebruiksovereenkomst | Privacybeleid © PlumIT