vrijdag 26 mei 2017
 
Gladde slang * Leefomgeving
Waar leeft de gladde slang?

In Nederland komt de gladde slang voor in grote aaneengesloten natuurgebieden met droge heide, hoogveen, droge schraalgraslanden, oude spoortaluds en open bossen. In het leefgebied moeten voldoende open en toch beschutte plekken zijn, waar de zon het grootste deel van de dag de bodem kan bereiken. Zuidhellingen hebben het voordeel dat het zonlicht er al gauw loodrecht op valt, waardoor de slangen zich er snel kunnen opwarmen. Maar ook taluds van dijkjes, verhoogde zandpaden door natte gebieden, greppels, slootkanten en hellingen van oude stuifduintjes, worden om dezelfde redenen graag gebruikt. Behalve goede zonplekken moeten in het leefgebied ook voldoende schuilplekken zijn om weg te kunnen kruipen als de temperatuur te hoog wordt of om te vluchten als de slang bedreigd wordt. Schuilplaatsen kunnen bestaan uit een gevarieerde structuurrijke begroeiing, dood hout, holen en stenen. De gladde slang verplaatst zich het liefst zo verborgen mogelijk. Daarvoor moet de bodem bedekt zijn met een dikke, poreuze strooisellaag, een laag van dood plantenmateriaal onder de nog levende planten, of volzitten met holen en gaten. 

Leefgebied gladde slang: Dijkjes in Hoogveen (Fochterloerveen) links - foto Jelger Herder en heide in Brabant rechts - foto Arnold van Rijsewijk

Hoogveen habitat - Fochterloerveen

  Heide habitat - Noord-Brabant

In de directe omgeving moeten droge, vorstvrije plekken zijn om in te kunnen overwinteren. Hiervoor geschikt zijn holtes onder bomen, houtstapels of ruïnes van bouwwerken. Belangrijk is dat de plekken droog en vorstvrij zijn. De slangen gebruiken jaren achtereen dezelfde overwinteringsplekken en delen die ook dikwijls met soortgenoten of zelfs met andere soorten reptielen.

Gebruiksovereenkomst | Privacybeleid © PlumIT